folder2009voorzijde.jpg

Woensdag 2 november 2016 - Allerzielen

Lezingen: Jesaja 25:6a.7-9 en Lucas 23:44-24:1
 
Er waren eens twee stokoude monniken die hun hele leven lang bezig waren geweest met de vraag ‘Hoe zou de hemel er eigenlijk uitzien? Wat gebeurt er met ons als we dood zijn?’ Ze hadden over dat onderwerp tienduizenden boeken verzameld en ze allemaal gelezen ook. Ze zaten met elkaar avond aan avond te bomen, maar kwamen er niet uit. Daarom spraken ze met elkaar af dat degene die het eerst zou sterven aan God zou vragen om een teken zodat de achterblijvende monnik het laatste en definitieve boek zou kunnen schrijven over ‘wat gebeurt er met ons mensen als we dood zijn’
 
Op een dag stierf een van de monniken. Toen de ander 's nachts in bed lag, werd zijn cel plotseling hel verlicht. Er kwam een geweldige steekvlam die in één ogenblik alle tienduizenden boeken over ‘het leven na de dood’ verteerde. Toen begreep de monnik die was achtergebleven dat geen enkel mens bij het leven te weten kan komen wat er met ons gebeurt na onze dood. Of zoals een nuchter Hollands spreekwoord zegt: niemand is ooit teruggekeerd om ons dat na zijn dood te vertellen. Hoewel ik mijn moeder hoor zeggen: ‘Dan moet het er wel goed zijn als niemand zich de tijd gunt om ons dat te vertellen’. Ik zei dan: ‘moeder, er is toch één Iemand geweest die terugkeerde over de brug die het land van de levenden verbindt met het land van de doden?’ En Hij kwam terug, niet met de dood, maar met handen vol leven, toen Hij zei: ‘als je tijd gekomen is, laat je dan maar vallen mensenkind, want Ik ben boven je en onder je, voor je en achter je. En ik zal je over de brug op mijn vleugels dragen naar het Huis van mijn Vader.
 
In het boekje 'Kinderen schrijven brieven naar God' schrijft een klein jongetje: ‘Lieve God, wat gebeurt er nou als iemand doodgaat? Niemand wil me dat zeggen. ik wil het alleen maar weten, ik wil het niet doen’. Maar niemand die dit klein jongetje antwoord kan geven op de vraag wat er gebeurt als mensen doodgaan. Niet omdat grote mensen het antwoord niet willen geven, maar we kunnen het gewoonweg niet.
 
Natuurlijk, er zijn van die verstandige mensen die zeggen: ‘doodgaan hoort nu eenmaal bij de kringloop van de natuur. Mensen maken plaats voor elkaar. Nieuwe generaties krijgen hun kans’. Anderen hoor je zeggen: ‘je blijft voortleven in je kinderen, in je werk, je prestaties’. Maar wat doe je met dit soort antwoorden, als jouw geliefde wordt weggedragen naar dat ijzige kerkhof, als jouw geliefde voorgoed verdwijnt in verzengend vuur? Is jouw kind, jouw man, jouw vrouw, jouw vriend en vriendin niet onvervangbaar? Nee, de dood is het einde van mensen zoals we ze hebben gekend en bemind. Mensen die teruggevallen zijn naar de aarde als een vergeeld en verdord blad in de herfst.
 
Jezus minimaliseert de dood niet. Hij neemt de dood in al zijn onverbiddelijkheid en ernst. Hij draait er niet om heen. Hij huilt dikke tranen bij het graf van zijn vriend Lazarus. Niemand zal ooit te weten komen wat er aan ontroering door zijn hart is gegaan, toen hij het kleine handje van het dode dochtertje van Jaïrus in zijn grote mensenhanden nam. En zo'n kinderhand is koud en kil, ook al zeggen de mensen: wat ligt ze er lief en onschuldig bij. Mensen liggen er niet mooi bij als ze dood zijn. Mensen zijn geboren om te leven. We hebben een mond gekregen om te praten, ogen om zich met tederheid te vullen, een hart om mensen te beminnen, handen om in elkaar te drukken, voeten om met elkaar op te trekken. Nee, laten we elkaars verdriet niet dichtbranden met al te gemakkelijke woorden.
 
Jezus doet niet mee met dit mensenspel. Voor Hem is de dood de laatste vijand die overwonnen moet worden. En het enige antwoord dat God ons geeft, is Zijn eigen Zoon die zelf zó bang was voor de dood dat Hij het aan het kruis uitsnikte: ‘mijn God, mijn God, Vader, waarom heb je Mij verlaten?’ En in zijn snik ligt de vraag van ons allemaal verborgen. Het is zo gemakkelijk om over de dood te praten als je op de banken van de arena zit, maar ín de arena wordt niet over de dood gediscussieerd, daar wordt alleen maar verdriet geleden en sterven mensen bij bosjes.
 
Eén kind uit de dood door Jezus opgewekt, wat heeft dat nu in Gods naam voor zin? Dat kind is intussen ook al weer gestorven. Wat hebben wij aan zo'n herinnering, aan zo'n verhaal? Blijkbaar wil Jezus ons iets anders zeggen. Hij zegt: ‘voor mensen die geloven heeft de dood zijn angel verloren’. Als de omstanders aan wanhoop zijn overgeleverd, zegt Jezus: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft zal; leven ook al is hij gestorven’. Een goedkoop antwoord? Vergeet dat maar: Zelf is Hij zó bang geweest, dat doodsdruppels, het doodzweet, op zijn voorhoofd staat.
 
Wij hebben van die ingewikkelde theorieën over de verrijzenis, maar Gods draaiboek is zo eenvoudig. Het levend worden van Jezus wordt vergeleken met het opstaan in de vroege morgen, zoals wij net hebben gedaan. De slaap wordt uit de ogen gewreven. En slaapdronken zit je op de rand van je bed. Jezus staat op, maar dat kan toch niet, Hij is toch dood? Wat dood? Wat kan Hem de dood nou schelen? In zijn graf vinden wij geen sporen van een gevecht op leven en dood. Integendeel, de Bijbel vertelt ons hoe de doeken, die om zijn lichaam waren gewikkeld, keurig lagen opgevouwen, zoals wij 's morgens ons bed opmaken. En er komt geen enkel protest van de kant van de dood.
 
Jezus vergelijkt het sterven van mensen met wat gebeurt aan de graankorrel. Het zaad dat in de bodem verdwijnt, prijsgegeven aan de zwart aarde. Een langzaam proces van afsterven, de huid wordt aangetast, eerst de buitenkant, dan langzaam maar zeker ook de binnenkant. De huid begeeft het, de korrel scheurt open en barst uit tot nieuw leven. Prijsgegeven aan de donkere aarde zoekt het nieuwe leven zich een weg naar boven. En dat doet Johannes getuigen. Hij schreeuwt het uit: er komt een tijd dat alle tranen zullen worden uitgewist, de dood zal er niet meer zijn. Geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij. Ik zie een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De eerste aarde en de eerste hemel zijn verdwenen. Een onvoorstelbaar verhaal dat zijn grond en fundament vindt in Jezus die hartstochtelijk van het leven hield, zelfs zoveel, dat Hij het prijs durfde geven, omdat Hij wist dat een mens die écht lief kan hebben, op den duur niets meer te verliezen heeft. zelfs niet zijn leven..
 
 Op Allerzielen voelen wij ons bijzonder verbonden met zovelen die ons door de dood ontvallen zijn. Voorgoed uit ons leven verdwenen? De dichter Rutger Kopland schrijft: ‘Weggaan is iets anders dan het huis uitsluipen, zacht de deur dichttrekken achter je bestaan en niet terugkeren. Je blijft iemand op wie wordt gewacht. Weggaan kun je beschrijven als een soort van blijven. Niemand wacht, want je bent er nog. Niemand neemt afscheid, want je gaat niet weg’.
 
Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam